Voor mij persoonlijk bestaan God en Jezus niet als objectief aantoonbare wezens buiten onszelf, maar als diepgewortelde overtuigingen die hun kracht ontlenen aan het menselijk bewustzijn. Ze leven in het hoofd en het hart van de gelovige – in beleving, gedachten, gevoelens, en bovenal in de overtuiging dat ze er zijn.
Als je iets zó rotsvast gelooft, wordt het werkelijkheid binnen je eigen ervaring. Je leeft vanuit dat geloof, denkt en handelt ernaar, en ziet de wereld door die bril. De verhalen uit de Bijbel zijn dan geen symboliek of geschiedenis meer, maar waarheid. En omdat miljoenen mensen deze overtuiging delen, wordt die ervaring collectief versterkt. Het voelt waar, omdat het door velen als waar wordt beleefd.
Geloof is daarmee geen passieve aanname, maar een scheppende kracht. Het is een lens waardoor je de wereld interpreteert – en zoals bij elke lens bepaalt de scherpte van je focus wat je ziet.
Waarom ik dit schrijf? Omdat ik als schrijver niet alleen mijn eigen overtuigingen wil laten klinken, maar ook die van anderen moet begrijpen en laten spreken. En het geloof is wat mij betreft een goed voorbeeld. Diversiteit is voor mij geen modewoord, maar een noodzakelijke bouwsteen van geloofwaardige fictie. Een goed verhaal bestaat niet uit personages die allemaal klonen van mijzelf zijn, maar uit mensen met hun eigen overtuigingen, fouten, dromen en strijd.
In een van mijn toekomstige boeken, als ik de kans krijg mijn spionnenserie voort te zetten, wil ik een personage haar geloof in God juist terug laten vinden, dit nadat zij die in het verleden was verloren. Om dat geloof geloofwaardig te laten voelen, moet ik het serieus nemen. Niet omdat ik het deel, maar omdat het voor miljoenen mensen betekenisvol is. Dat vraagt geen spot, maar begrip. Geen instemming, maar eerlijkheid.
Als schrijver ben ik niet op zoek naar perfecte helden of de perfecte kwaadaardige schurken. Ik ben op zoek naar mensen. Mensen met twijfels, overtuigingen, littekens, hoop en soms een diep geloof, in God, in zichzelf, of juist in helemaal niets. In mijn verhalen speelt geloof daarom een stille, maar krachtige rol. Niet als preek, wel als waarheid die zich op verschillende manieren uit.
Mijn personages hoeven het niet met mij eens te zijn. Remy du Puy de Provence is bijvoorbeeld supporter van een Franse voetbalclub die van mij gerust mag afzakken naar de krochten van het profvoetbal… Maar misschien heeft hij daarom juist weer een gloeiende hekel aan Ajax – terwijl ik er zelf supporter van ben. Weer iemand anders verafgoodt champignons, krengen die ik persoonlijk afschuwelijk vind. Zulke tegenstellingen houden me scherp. Ze zorgen voor contrast, spanning en geloofwaardigheid.
Hetzelfde geldt voor religie. En ik benadruk: dit is mijn persoonlijke visie. Ik geloof niet dat religie als objectieve waarheid bestaat, maar dat het leeft in het bewustzijn van de gelovige. Het is er, omdat mensen er zó sterk in geloven dat het voor hen werkelijkheid wordt. Wie gelooft, ziet dat geloof weerspiegeld in ervaringen, rituelen en toewijding. Dat geldt niet alleen voor christenen, maar evenzeer voor moslims, joden, hindoes, boeddhisten en anderen. Geloof krijgt zijn kracht doordat het gedeeld wordt.
Iedereen mag daar anders over denken, maar ik geloof niet in tovenarij, wonderen of een god die met één gebaar al het lijden op aarde zou kunnen stoppen, maar het niet doet. Ook niet in een schepping uit het niets of een simulatie bestuurd door hogere intelligenties. Zulke ideeën zie ik als menselijke verbeelding, voortgekomen uit onze behoefte aan houvast en verklaring. Wat ik wél geloof, is dat het leven ooit is ontstaan – zonder plan, zonder ingreep – simpelweg omdat het mogelijk was. En dat vind ik al wonderlijk genoeg.
Toch weerhoudt mijn eigen visie me er niet van om geloof een plek te geven in mijn verhalen. Integendeel. Want de kracht van fictie zit in het tonen van werelden die groter zijn dan jezelf. Mijn taak is niet om lezers te overtuigen van mijn waarheid, maar om personages tot leven te brengen die ieder op hún manier eigen weg proberen te vinden – ook als die weg voortkomt uit iets waarin ik zelf niet geloof of achtersta.
Dit omdat verhalen schrijven niet alleen draait om verzinnen, maar ook om luisteren. Niet alleen naar de stemmen die in jezelf klinken, je overtuigingen, je twijfels, je drijfveren, maar juist ook naar dat wat daarbuiten valt. Naar dat wat wringt. Wat schuurt. Wat je niet meteen begrijpt of waar je misschien zelfs weerstand tegen voelt.
Als schrijver begeef je je voortdurend buiten je eigen denkraam. Je stapt in het hoofd van iemand die wél gelooft, terwijl jij dat niet doet. Of je kruipt in de huid van een twijfelaar, terwijl jij zeker bent. Je probeert te voelen hoe het is om het mis te hebben, of om je vast te klampen aan een waarheid die jij zelf allang losgelaten hebt. En in die poging tot begrijpen ontstaat iets wonderlijks: empathie.
Goede fictie vraagt geen instemming, maar inleving. Het betekent dat je probeert te verstaan wat je zelf niet aanhangt. Dat je ruimte maakt voor stemmen die je persoonlijk misschien nooit zou volgen, maar die binnen het verhaal een volwaardige plek verdienen. Omdat ook zij iets waarachtigs vertegenwoordigen. Iets menselijks.
Dus ja, verhalen schrijven betekent luisteren. Niet alleen naar je eigen overtuigingen, maar juist naar wat je vreemd of ongemakkelijk vindt, want juist daar schuilt misschien wel de ware essentie van het schrijverschap.
Bedankt voor het lezen en tot een volgende blog!
Michel Opermeer.