“Ik denk niet dat jij de hele dag schrijft.”
Hij zei het luchtig, bijna alsof het een grap was.
“… anderhalf uur? Misschien twee?”
De rest van de dag, zo stelde hij zich voor, zal ik wel een beetje rondhangen. Iets aanklooien. Tijd doden. Je kent het beeld wel. En ergens snap ik het ook. Want als je het van buitenaf bekijkt, zie je iemand achter een scherm zitten. Of juist nĂĂ©t achter een scherm. Je ziet geen bouwput, geen machines, geen zweet. Geen tastbaar bewijs dat er gewerkt wordt. Alleen iemand die… tja, een beetje zit te …
Maar een boek schrijven werkt niet in uren zoals een kantoorbaan dat doet. Het begint vaak al voordat ik überhaupt achter mijn computer zit en zo blijft dit de rest van het schrijven van dat desbetreffende manuscript het geval. Een idee dat blijft hangen. Een scène die zich steeds opnieuw afspeelt in mijn hoofd, maar nooit helemaal klopt. Een personage dat nét niet zegt wat hij eigenlijk moet zeggen. Dat proces gaat door terwijl ik koffiezet. Terwijl ik naar buiten kijk. Terwijl ik even niets lijk te doen. En zelfs in die korte rustmomenten van dertig seconden tijdens het sporten. Maar vanbinnen staat alles aan. Wanneer ik uiteindelijk ga zitten om te schrijven, lijkt het misschien alsof dát het werk is. De uren waarin er daadwerkelijk woorden op het scherm verschijnen. Maar dat is slechts het topje van wat eraan voorafging. Hoeveel uur per dag ik uiteindelijk ook daadwerkelijk schrijf. En dat kan natuurlijk wel eens verschillen.
Schrijven is schrappen. Twijfelen. Zinnen opnieuw formuleren totdat ze eindelijk voelen zoals ze bedoeld zijn. Soms zit je tien minuten naar één alinea te kijken, omdat één woord niet klopt. Eén woord. En als het wél loopt, als alles ineens samenvalt, dan verdwijnen die anderhalf of twee uur als sneeuw voor de zon. Dan zit je er zo vier, vijf, zes uur in zonder dat je het doorhebt. Niet omdat het moet, maar omdat je midden in iets zit dat je niet loslaat. De echte pauzes zijn schaars. Sterker nog, als ik eerlijk ben, voelt anderhalf uur pauze op een dag soms als luxe. Want zelfs in die pauze laat het verhaal me niet los. Dan loop ik weg van mijn bureau, maar het verhaal loopt met me mee. Zinnen blijven komen. Ideeën schuiven in elkaar. Oplossingen dienen zich aan op de meest onverwachte momenten. Dus nee, ik schrijf inderdaad niet altijd maar de hele dag… als je alleen kijkt naar het moment dat mijn vingers het toetsenbord raken. Maar als je kijkt naar wat er zich afspeelt in mijn hoofd? Dan ben ik er wél de hele dag mee bezig. Een boek schrijven kost nu eenmaal tijd. Niet alleen in uren, maar in aandacht. In energie. In het steeds weer terugkeren naar dezelfde wereld, dezelfde mensen, dezelfde vragen.En misschien is dat wel het grootste misverstand. Dat schrijven iets is wat je “even doet”. Terwijl het in werkelijkheid iets is waar je nauwelijks van loskomt.
Schrijven is meer dan alleen woorden op papier
Schrijven bestaat dus niet alleen uit het daadwerkelijk typen van een verhaal. Het bestaat ook uit (voor)onderzoek. Controleren. Twijfelen. Opnieuw controleren. Neem als voorbeeld mijn spionnenserie. Stel dat Remy, mijn hoofdpersonage, tijdens een geheime opdracht, naar Nederland moet. Hij krijgt de opdracht om in Amsterdam een pakketje op te halen of zich te verplaatsen naar Rotterdam. Dan kan ik prima fictieve locaties gebruiken. Ik kan een fictief gebouw, café, school of kantoor verzinnen, een straat, zelfs een hele wijk die in werkelijkheid niet bestaat. Dat mag, en is in de schrijverswereld ook volledig geaccepteerd door lezers. Maar het moet wél kloppen. Het moet allemaal wel realistisch zijn. Iets wat daar daadwerkelijk zou kunnen bestaan. Geen idee of er in Amsterdam een “Theepotkade” is, maar het zou in theorie gewoon kunnen. En dát is het geen wat veel (voor)onderzoek vereist, want als ik ineens een uitgestrekte industriële haven midden in het centrum van Amsterdam neerzet, dan voelt een lezer meteen dat er iets niet klopt. Niet omdat hij per se de kaart van Amsterdam uit zijn hoofd kent, maar omdat de sfeer, de logica en de werkelijkheid niet meer overeenkomen.
Rotterdam is wél een echte havenstad. Dat voel je in alles. De sfeer, de bedrijvigheid, de industrie. Amsterdam daarentegen draait om grachten, toerisme, historie. Als ik die twee omwissel of verkeerd neerzet, voelt een lezer dat meteen. Zelfs als hij niet precies kan uitleggen waarom.
En dus begint met bovengenoemde onderzoeken, het echte werk. Want als Remy zich door Rotterdam beweegt, moet ik weten hoe zo’n havengebied eruitziet. Hoe containers worden opgeslagen. Hoe beveiliging daar werkt. Waar je ongezien kunt blijven en waar juist niet. Als hij door Amsterdam loopt, moet ik nadenken over smalle straten, drukte, camera’s, toeristen. Een achtervolging ziet er daar compleet anders uit dan in een open havengebied.
Als hij communiceert met een contactpersoon, moet ik nadenken over hoe dat gebeurt. Via een telefoon? Versleuteld? Face to face? Hoe doen echte inlichtingendiensten dat, en waar wijk ik bewust van af voor het verhaal?
Als hij een gebouw binnendringt, moet ik me verdiepen in beveiligingssystemen. Camera’s. Toegangscontrole. Blinde hoeken. Hoelang het duurt voordat iemand iets opmerkt. Zelfs iets simpels als reistijd speelt mee. Hoe lang doe je van Amsterdam naar Rotterdam? Met de auto, met de trein? Kan hij dat ongemerkt doen of niet?
En dan heb je nog de kleine details. Hoe ziet een hotelkamer er over het algemeen uit in een bepaalde prijsklasse? Hoe praat iemand uit een bepaalde omgeving? Hoe voelt een stad op een bepaald tijdstip van de dag? Dat zijn geen dingen die je even verzint. Dat zijn dingen die je opzoekt, checkt, en dubbelcheckt soms meerdere keren herschrijft omdat het nét niet goed voelt of toch net even anders in elkaar blijkt te steken. De logica van je verhaal moet gewoonweg kloppen met de werkelijkheid. En juist daarom is vooronderzoek geen extraatje, maar een noodzakelijk onderdeel van schrijven. Dus wanneer iemand zegt: “Je schrijft toch maar anderhalf uur per dag?” Dan denk ik aan al die momenten daaromheen. Aan het zoeken naar hoe een haven werkt. Aan het uitpluizen van routes die logisch en aannemelijk klinken.
Aan het aanpassen van een scène omdat een detail niet klopt. Aan het opnieuw lezen, schrappen en herschrijven. Het zijn geen uren waarin je zichtbaar “aan het schrijven” bent. Maar het zijn wel de uren die ervoor zorgen dat een verhaal uiteindelijk geloofwaardig wordt. Want een lezer wil niet alleen een goed verhaal.
Hij wil een verhaal dat klopt. Dat logisch aanvoelt binnen de wereld waarin het zich afspeelt. Laat ik Remy bijvoorbeeld ineens een toverfee ontmoeten… dan valt alles uit elkaar. Dat past niet in zijn wereld. Dat voelt niet logisch. En precies dát is waar een lezer op afhaakt.
Oh, en dan hebben we het nog niet eens gehad over alles eromheen. Blogs schrijven. Zichtbaar zijn. Promotie maken. Iets wat ik, als ik eerlijk ben, zelf ook echt meer moet gaan doen. Dus het moraal van deze blog: nee… schrijven kost een schrijver geen anderhalf uur per dag. Het is iets waar je de hele dag in zit. Zelfs als niemand het ziet.
Bedankt voor het lezen van deze blog en tot een volgende keer.